Longaandoening
Er zijn verschillende soorten longaandoeningen:

Astma: ontstoken longen
Als u astma heeft, zijn er altijd kleine ontstekingen in uw longen. Daardoor raken uw luchtwegen snel geïrriteerd door prikkels. Dat kunnen allergische prikkels zijn zoals bijvoorbeeld door huisstof(mijt), honden, katten en gras- of boompollen, maar ook niet-allergische prikkels zoals inspanning of geuren. U krijgt dan aanvallen van kortademigheid of moet (soms) veel hoesten. Niet iedereen reageert op dezelfde prikkels, en de één heeft er meer last van dan de ander. De klachten zijn goed te behandelen en verergeren dan in principe niet. Astma komt voor bij kinderen en volwassenen.

COPD: beschadigde longen
Bij COPD (chronische bronchitis en longemfyseem) zijn uw longen beschadigd, bijvoorbeeld door roken. Daardoor zijn uw luchtwegen vernauwd. Dat zorgt ervoor dat u moeilijker ademt en minder zuurstof heeft. Ook moet u (soms) veel hoesten. Deze klachten zijn blijvend en kunnen in de loop van de tijd toenemen. Soms worden de klachten in korte tijd plotseling erger, bijvoorbeeld door een infectie. Dat noemen we een longaanval. COPD komt vooral voor bij mensen van boven de 40 jaar.

Longfibrose: bindweefselvorming in de longen
Longfibrose is een zeldzame, chronische ziekte van de longen. Bij longfibrose kunnen uw longen niet meer voldoende zuurstof opnemen en koolstofdioxide (ons ‘uitlaatgas’) uitscheiden. Uw longen werken dus niet meer zoals dat hoort. Longfibrose ontwikkelt zich vaak in maanden of jaren, meestal bij mensen boven de zestig jaar. Soms ontstaat longfibrose acuut, binnen een paar dagen.

Bronchiëctasieën: ontstoken en geïrriteerde bronchiën
Bij bronchiëctasieën zijn de wanden van de bronchiën bijna voortdurend ontstoken en geïrriteerd. Het kan dus zijn dat u regelmatig last heeft van een longontsteking of bronchitis. De ontstekingen veroorzaken op termijn schade in uw longen, bijvoorbeeld doordat bloedvaatjes en trilhaartjes kapot gaan. Dit kan leiden tot hoestbuien en benauwdheid. Bronchiëctasieën ontstaan vaak al op jonge leeftijd, al komt het ook voor dat volwassenen er pas na hun veertigste jaar last van krijgen. Vaak is de ziekte dan al jaren sluimerend aanwezig, maar waren de klachten nog niet merkbaar.